De dingen die we delen

“Moest jij één dezer dagen niet onder het mes?”, vraagt de Man. 
“Was jouw vrouw vandaag niet jarig?”, wil ik hem terugsturen, maar dat doe ik niet. Dat is niet wat wij doen, hij en ik, passief-agressief communiceren. Als we iets willen zeggen tegen elkaar, dan doen we dat gewoon. Ik ben gigantisch verrast en geraakt dat hij het zich nog herinnert maar vermoed dat de verjaardag van zijn vrouw zijn ezelsbruggetje is geweest. Daar kan ik zo weinig mee.
“Morgen :(“, stuur ik hem terug.

Ik breng Zoon naar zijn papa. “Als er morgen iets met me foutloopt”, druk ik hem op het hart, “dan wil ik ieder jaar een feest zoals verleden week, met al mijn maten. Er staat nog drank in mijn kelder. Ik wil dat ons kind weet in welke geest ik hem probeerde op te voeden.” Een week eerder vierde ik mijn veertigste aan een lange tafel in het gras op een boerderij omringd door mijn beste vrienden. Het was een prachtige dag en een heerlijk feest, als in een film. Ik voelde me ontzettend graag gezien en goed omringd. De papa van Zoon strekt van aan de andere kant van de tafel zijn hand naar me uit en legt die op mijn arm: “Er gaat jou niks overkomen”, zegt hij. Ik barst in tranen uit. Het feest zal er zijn, belooft hij.

De dag van de operatie zet zich de constructie in gang die ik voorbereid heb. Mijn hartsvriend brengt me naar het ziekenhuis, de papa van Zoon zal me opwachten als ik uit recovery kom, mijn bestie blijft stand-by om me terug naar huis te brengen. Ik ben bang voor het ontwaken na twee uren narcose. In mijn eentje in de wachtzaal zes hoog, staar ik door de brede ramen naar het zonlicht dat de stad onder me langzaam inneemt. We zijn de kwart-over-zesjes, zegt de verpleegster. Druppelsgewijs komen nog meer mensen binnen. Van iedereen die daar alleen is, is iedereen vrouw. Wanneer mijn naam wordt afgeroepen, word ik meegeloodst naar een gang met deuren als de cabines van een zwembad. Aan de ingang van die gang, neemt een vrouw afscheid van haar man. “Ik hou van je, schat”, lijkt ze nog snel gezegd willen hebben daar op die grens waar ze echt niet voorbij kan. De woorden klinken oprecht maar geforceerd. Ze zeggen het vast te weinig tegen elkaar. Ze heeft een krop in haar keel. Hij houdt ook van haar.

Wanneer ik van de ontwaakzaal de kamer word binnengerold, herken ik meteen zijn jas die over een stoel hangt, en daarna ook zijn schoenen. Hij is er echt. Breed glimlachend en als gebruikelijk kaarsrecht staat hij me op te wachten: “Ik ben uw welkomstcomité voor vandaag.” Godzijdank.

De verpleegster zegt dat ik moet bellen als ik wil opstaan. Wanneer ik dat eindelijk wil en het bed afglijd, ziet iedereen de bloedvlekken op de plek waar ik lag. Ik ken hem genoeg om te weten wat het met hem doet. Dit is van een intimiteit die wij al lang niet meer delen. De verpleegster haalt een nieuw doek om de vlekken te bedekken: “Dat zou nog van de operatie kunnen zijn, hoor, oud bloed.” Ik, die zelden last heb van gêne en al helemaal niet in deze context, wijs haar op het verband dat tussen mijn benen zit geklemd: nieuw bloed. Ze geeft me een nieuw maandverband, hij drapeert een badjas over mijn schouders en ik waggel naar het toilet. Wanneer de dokter komt om me te ontslaan, ontstaat er een gesprek over krampen, betrekkingen, pijnlijke borsten, bloed. Af en toe gluurt ze daarbij zijn richting uit, onzeker of ze hem nu bij dat gesprek moet betrekken of niet. Wij laten haar spartelen en maken geen oogcontact.

’s Avonds, terug thuis, krijg ik een bericht van de Man, die er eigenlijk had willen zijn vandaag. Of ik niet te veel zeer heb? En of ik wat gezelschap heb bij thuiskomst? Ik antwoord pas de volgende ochtend dat ik zo goed als pijnvrij ben. Maar gezelschap… dat mijn leven niet zo in elkaar zit. Dat ik een dutje heb gedaan na thuiskomst en dan Zoon van school ben gaan halen. Business as usual, wel wat berichten van bezorgde vrienden. Nadat ik de mail verstuurd heb, open ik het bericht dat ik van mijn zwangere BFF kreeg. Haar dochter werd gisteren geboren, laat ze me weten. Ik klap mijn computer dicht, en met die beweging overvalt me een eindeloos verdriet.

De hele dag huil ik stilletjes in alle hoekjes waar Zoon me niet kan vinden. Maar hij voelt het; hij is erg lief voor me. Ik begrijp niet wat er met me gebeurt. Ik wil me alleen maar oprollen, huilen, mijn wonden likken. Ik ben ook helemaal niet pijnvrij, besef ik. Ooit zei een therapeut dat je ware verlangens en grootste verdriet naar boven komen als je ziek bent, omdat je dan de fut niet meer hebt om ze te verstoppen. “Je moet dat serieus nemen”, had hij gezegd. Ik probeer de inventaris van mijn huidige verdriet op te maken maar vind niet meteen duidelijke oorzaken.

“Verdoving!”, stuurt mijn bestie me later die dag. “Niet iedereen heeft dat. Mijn ervaring is dat de meer sensitieve mensen het hebben.” Ha. Het lucht me minder op dan gehoopt. Heel laat nog belt de vader van Zoon. Hij bedankt me voor de wonderlijke ervaring die de ochtend in het ziekenhuis voor hem was, dat ik dat met hem had willen delen. “Waar denk je aan?”, vraagt hij naar mijn verdriet. Het komt er met horten en stoten uit. Ik schrei zoals ik dat in geen jaren deed, haast dierlijk. “Ik ben zo alleen”, zeg ik. “Ik kan wel constructies opzetten maar hier, terug thuis, ben ik zo alleen.” De Man heeft me de juiste, de meest attente maar ook de meest fatale vraag gesteld. Is het daarom dat ik geen antwoord meer krijg?

“Aan de liefde twijfelen we niet dit keer”, zegt mijn bestie, “de timing is gewoon slecht.” Dat de twijfel me langs alle kanten besluipt, vertel ik haar niet. Ze ziet wellicht al door me. Diezelfde avond zie ik foto’s van de Man op Instagram. Ik had de mogelijkheid opengehouden dat zijn stilte – hoe lomp ook – het gevolg was van onvermogen of onmacht. Nu lijkt het verdacht veel op desinteresse. De twijfel is genadeloos. De hele terugweg naar huis snik ik onbedaarlijk.

Met een klein hart bezoek ik mijn vriendin en haar baby die altijd even oud zal zijn als mijn ingreep. Treurig lijkt mijn nieuwe normaal. Had ik dan nog zoveel verdriet ergens weggemoffeld? Ik ga op de rand van haar bed zitten en houd haar vast. Ik probeer mijn lijf ervan te weerhouden te schokken terwijl ik huil, maar dan voel ik plots dat zij ook schokt. Nu ik huil in de armen van en samen met iemand anders, lijkt het voor het eerst minder hopeloos. Terwijl we praten, rollen er tranen over ofwel haar, ofwel mijn wangen. Ze is zo blij, zegt ze, dat ze haar prille moederschap met haar fantastische man kan delen. En huilt. Al zo vaak de voorbije drie dagen heeft ze aan mij gedacht, ik die toen al alleen was. Ik knik. En huil. Dat is wat ik van iedere kersverse ouder hoor.

Onderweg terug naar huis heb ik te weinig cash om een ticket te kopen voor de bus. MIVB doet niet aan apps, sms’en of betaalkaarten. Plots staat een vrouw naast me met haar portemonnee open. Hoeveel een ticket is, wil ze weten. Droog betaalt ze de chauffeur wat ik hem verschuldigd ben. Ik sta perplex, stamel dat ik haar zal betalen met mijn telefoon. Daar wil zij niks van weten. Ze wuift mijn aanbod weg en loopt terug naar haar plaats. Delen, bedenk ik me plots, dat is het. Het zit ‘m in de dingen die we delen. Ik ga zitten en stuur een bericht naar mijn vriendin: “Ik kijk er erg naar uit om de ervaring van het moederschap met je te delen.”

Eenzaamheid is de som van alle intimiteit die ik niet kan delen: de Man die er niet voor me is, het gebrek überhaupt en al zo lang aan een schoot om mijn hoofd in te leggen, mijn eigen gehavende schoot, het groteske contrast met de vruchtbare schoot van mijn vriendin, de sluimerende wens naar nog een kind en het besef dat het bijna te laat is. Daar is hij, de inventaris van mijn verdriet.

Waar de vader van Zoon op de grens van vriendschappelijke intimiteit was gestoten, had de Man het verder moeten opnemen. Of dat had dé man in mijn leven moeten doen, en dat is hij niet. Maar dat is hij wel. Zelden voelde ik me kwetsbaarder dan nu ik geraakt ben in het symbool van alles wat me vrouw maakt. Zelden had ik meer behoefte aan het delen van intimiteit. Zelden was ik eenzamer. Nu, net nu, kan ik zijn zwijgen niet aan. Maar voor het eerst heeft de twijfel de bovenhand en zwijg ik ook.

Misschien is het wel daar, tussen de regels van wat niet gedeeld en niet gezegd wordt, dat de meeste liefde verloren gaat.

Dit bericht is gepubliceerd op 12 juni 2019 om 18:23. Het’is opgeslagen in hart en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

8 gedachten over “De dingen die we delen

  1. Brechje Moerman op schreef:

    Zo mooi weer. En helemaal waar, en even triest. Troost, ook wel voor mij nu. Bedankt

  2. Wat schrijf je mooi, drijvend op emoties. Zo herkenbaar.
    Veel moed gewenst!

  3. Herkenning, dat is het wat zo raakt, ja. En dan ook nog eens zo mooi geschreven. Ik lees je graag.

  4. Verleden week ontmoette ik een Amerikaanse professor Psychologie die naar België was gekomen om een opleiding narratieve therapie bij complexe trauma’s (of zoiets) te volgen. Hij legde uit dat het gedetailleerd vertellen van een verhaal, helpt bij de verwerking. Daar kon ik inkomen :-). Ik vertelde hem dat ik daar verder in wilde gaan: door mijn verhaal te vertellen een steentje verleggen voor niet alleen mezelf. En zie, al jullie reacties over herkenbaarheid zeggen precies dat. Wat mij betreft de grootste erkenning. Oprechte dank dus.

  5. Hilary op schreef:

    Hier zijn de wangen de rollende tranen ook niet gespaard. De grote leegte delen wij ook, zo voelt het misschien een beetje kleiner. Elks hun stuk eenzaamheid. Love you x

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: