Genormaliseerde zending

Ik zit in het postkantoor met een brief in mijn handen. Twee weken schreef ik elke avond een stukje aan de brief naar de man die niks meer te zeggen had. Omdat ik wel nog vanalles te zeggen had. De volgende dag schrapte ik weer drie kwart van wat ik de avond voordien geschreven had maar dat is bijzaak. Elke gedachte die uit mijn hoofd is, is er tenminste weer een minder. In mijn hoofd krioelt het van de gedachten en woorden die me versmachten als ze er niet uit mogen. De keuze tussen schrijven en schrappen of een lobotomie is gauw gemaakt. De goeie woorden, degene die p(l)akken, blijven altijd over. En de hersencellen zodoende ook.

Nu zit ik dus in het postkantoor met alle plakkende woorden netjes in zinnen en coherente gedachten gegoten, en samengevouwen tot een paar vellen papier. In geen twintig jaar maakte ik een handgeschreven brief. De envelop lijkt een ton te wegen. Het is moeilijk te zeggen hoeveel postzegels er op een ton gewichtige woorden moeten, dus kom ik dat even vragen aan de loketbediende. Bovendien moet deze brief het Kanaal over. Ik heb het adres zelf opgezocht. Het is iets met cijfers en letters geworden waar ik geenszins zeker van ben. De kans bestaat dat de brief waarop ik zo gezwoegd heb, nooit aankomt. ‘It will appropriately add to the sad tower of Babel we’ve created for ourselves‘, schreef ik daarover naar de bestemmeling. Maar het zou dus kunnen dat hij ook dat nooit leest. Ik vind het jammer voor hem en de overgebleven woorden.

Er zijn nog twaalf wachtenden voor me. Onder hen een jong koppeltje dat vrolijk kwetterend een postpakket komt ophalen. Dat is wat gelukkige jonge koppeltjes doen op zaterdagochtend: samen een pakketje ophalen. Het ontroert me. Een man met lodderogen ziet eruit alsof hij gisterenavond te lang in de kroeg bleef hangen maar nu echt voor sluitingstijd uit zijn bed moest. Het is de laatste dag dat zijn pakketjes opgehaald kunnen worden voor ze terug naar afzender gaan. Een slungelige tiener krijgt een uitbrander van de loketbediende en wordt naar huis gestuurd om zijn identiteitskaart te halen. Twee zware jongens met roots in de Balkan spinnen als kittens onder de aandacht van dezelfde ferme bediende die nu op haar strepen staat in hun voordeel. ‘Nee’, hoor ik haar zeggen, ‘dat kan niet. Ik ga dat maandag met mijn baas bespreken.’ Of ze dan woensdag terug kunnen komen, moet hij gevraagd hebben. ‘Nee! Niet woensdag. Dan werk ik niet. Donderdag!’ De mannen knikken heftig. Terwijl ze weglopen, brengt een van hen de vuist naar zijn hart, klopt een paar keer op zijn borstkas en wijst dan met dezelfde hand weer haar richting uit. Zij heeft al op het knopje geduwd en speurt de wachtzaal af naar haar volgende klant.

Een man, zijn vrouw met hoofddoek en hun peuter schuifelen haar richting uit. ‘Wat kan ik voor u doen vanmiddag, mijnheer?’ vraagt de bediende kwiek. Ik besluit dat ik haar erg kan pruimen. De man legt cash op de toonbank en een bankkaart ernaast. Het geld moet op de kaart, maakt hij in gebrekkig Nederlands duidelijk. De peuter begint aan de spullen op de toonbank te rommelen. De moeder doet een halfslachtige poging om het kind tot de orde te roepen en de man stamelt wat verontschuldigingen. De bediende staat op haar intussen bekende strepen: ‘Nee, ge moet daar van afblijven. Ge gaat dat breken, hé manneke.’ En tegen zijn vader: ‘Dat gaat u nog veel geld kosten, ze.’

Oh, wat zou ik mijn gewichtige woorden graag door haar kordate handen laten gaan. Zij weet vast hoe ze gefrankeerd moeten worden. Ik wriemel zenuwachtig met de envelop terwijl de nummers vooruit kruipen. Mijn hart maakt een sprongetje als mijn getal oplicht achter het loketnummer waar zij zit. ‘Wat kan ik voor u doen vandaag?’ Ik heb een brief, zeg ik, die ik graag alle kansen wil geven om goed aan te komen. ‘Aha’, zegt ze, ‘dat is Europa’, en zwiert mijn envelop op de weegschaal. Terwijl mijn ginnegappende brein grapjes staat te bedenken over de Brexit heeft ze de gefrankeerde sticker al uitgeprint en een prior op de envelop geplakt. Mijn brief is een genormaliseerde zending geworden.

Hoe lang zou de brief erover doen om op bestemming te geraken, wil ik van haar weten. ‘Goh, ik denk dat ie er tegen dinsdag wel zal zijn’, doet ze laconiek. ‘Dinsdag?! Amai, dat is rap.’ Mijn overgeromantiseerde brein zag mijn zending al langs postkoetsen en donkere herbergen in weer en wind ei zo na ontsnappen aan gure roversbendes. Maar nee, dinsdag dus, als in: over drie dagen. Dat is erg kort dag om echt helemaal definitief nooit meer iets van iemand te horen.

Ik betaal en neem het wisselgeld in ontvangst met een leugentje om haar bestwil: ‘Allez, dat was nog es een simpele transactie.’ ‘Hahahaja’, lacht ze enigszins verrast. Ik onderdruk de neiging om ook mijn vuist tegen mijn borst te kloppen. Hoeveel gewichtige woorden werden onder haar handen al genormaliseerd? Als deze brief nooit aankomt, ligt het alvast niet aan haar.

 

(Pssst. Ik zit ook op Facebook.)

Dit bericht is gepubliceerd op 26 augustus 2017 om 14:18. Het’is opgeslagen in hart, Hoofd en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

3 gedachten over “Genormaliseerde zending

  1. O wat mooi geschreven. Ik hoop voor jou dat jij goed aankomt. Aan jouw moed en moeite ligt het overigens ook alvast niet.

  2. Brugse zot op schreef:

    Alweer pijnlijk mooi geschreven. Ik wens je goede moed om deze droevige dagen door te komen en hoop dat er af en toe lichtpuntjes op je pad verschijnen.

  3. Pingback: Maybe we don’t deserve love | Inkelspielchen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: