Fluiten onderweg

Of hij het echt zeker is, vraag ik nog eens.

‘Ja.’ Geen zweem van twijfel op zijn gezicht.

Ik scharrel in de keukenlades.

‘Maar wat moet ik dan zeggen?’

Eindelijk heb ik een stukje papier gevonden. “6 sandwiches” schrijf ik erop. Vanuit mijn ooghoek onderzoek ik opnieuw zijn gezicht. Er steekt niks achter die vraag. Geen angst. Gewoon de vraag op zich. Wat hij zeggen moet, is al wat hij wil weten.

‘Ik ga het voor je opschrijven.’

‘Ah ja. Oké.’

Onder de sandwiches schrijf ik “2 chocoladekoeken”.

‘Je ziet het echt zitten, hé?’ vraag ik opnieuw.

‘Ja. Maar ik moet geen jas aandoen, hé?’

‘Zijt ge zot? Natuurlijk wel! Ge gaat weer ziek worden.’

Hij maakt een keelgeluid: ‘Goh seg!’

“1 chocoladetaart 6 pers” schrijf ik nu op het briefje.

‘Kijk,’ wijs ik de cijfers op het briefje aan, ‘zie je? Zes sandwiches, twee chocoladekoeken en één chocoladetaart.’

Hij knikt. Jep, cijfers, dat is bekend terrein.

‘Je bent het zeker?’

‘Jahaa.’

Hmm. Op het briefje schrijf ik: “Deze jongen heet Zoon (enfin, maar dan zijn echte naam). Dit is de eerste keer dat hij alleen naar de bakker komt.” Ik twijfel of ik mijn gsm-nummer en naam erbij moet zetten. Maar wat als de winkeljuffrouwen eerder dan hemzelf aan het twijfelen slaan en mij dan bellen om een volstrekt belachelijke reden? Bijvoorbeeld omdat er geen chocoladetaart meer is. Zijn hele onderneming gefnuikt. Nee, dit pakken ze hem niet af. Het staat er nou wel een beetje lullig. Maar goed, dan weten ze het tenminste, die winkeljuffrouwen. Dat dit een onderneming is en dat ze daar navenant mee om moeten springen.

‘Weet je wel waar de ingang is?’

Voor het eerst zie ik twijfel op zijn gezicht.

‘Wel, je stapt gewoon door tot aan de fietsenrekken en daar zal je de deur zien.’

‘Is die dan automatisch?’

Did he just say automatisch?

‘Ja, die zijn automatisch.’ Ik wil hem opeten. ‘Kom, ik ga je helpen oversteken.’

Ons huis is quasi op de hoek. Eens hij de kruising met de zijstraat voorbij is, kan hij helemaal over de stoep de 200 meter tot de bakker doen. Ik sta in de deuropening op pantoffels met mijn jas boven mijn pyjama. Met het briefje en het geld in zijn handje geklemd staat hij aan het zebrapad van links naar rechts naar links naar rechts naar links naar rechts te kijken.

‘Ja, ga maar!’

En hij gaat. Hij kijkt niet eens meer achterom. Hij blijft gaan.

Ik word er zenuwachtig van. Alsof het niks is, mijnheertje. Zover als ik kan, rek ik mijn nek uit het deurgat. Maar ik zie hem niet meer. Getver. Fuck this. Ik ren het huis in om mijn botten aan te trekken en mijn bril te zoeken. Ja, nu kan ik hem terug zien. Hij is bijna aan de hoek. Maar wat doet hij nu? Het lijkt alsof hij blijft staan. Shit. Dit gaat niet goed. Hij vindt de ingang waarschijnlijk niet. De fietsenrekken, jongen, de fietsenrekken.

Maar dan loopt hij toch door. En verdwijnt uit het zicht.

30 seconden, misschien een minuut, zoiets moet het zijn. Tijd genoeg om 1001 doemscenario’s te bedenken. Het zou nu toch niet het eerste kind zijn dat in een witte camionette wordt getrokken, hé zeg. Ik spring terug naar binnen en neem mijn fiets.

Wanneer ik bij de bakker aankom, rijd ik tot aan de glazen automatische deur. Maar niet zo ver dat ze opengaan. Ik wil niet dat hij me ziet. Hij staat al aan de kassa. De laatste mevrouw in de rij houdt haar hand ter hoogte van de heup met de handpalm naar beneden, wijst dan naar hem en tot slot vragend naar mij. Ja, knik ik met een schlemielige glimlach, het is de mijne. Dat ze bezig zijn, tekent ze met haar wijsvinger langs de broden achter de toonbank. En een dikke duim. Die krijgt ze van me terug. Hij heeft dit onder controle. Ik fiets terug naar huis.

Het wachten tot hij terug van achter de haag verschijnt net naast de bakker, duurt aanzienlijk. De zak met de taart, de sandwiches en de chocoladekoeken bengelt in de hoek van zijn elleboog tot bijna aan zijn knieën. Ongeveer halverwege lijkt een auto naast hem te vertragen. Mijn hart schiet in mijn keel. Maar dan rijdt de auto weer door en lijkt Zoon te zwaaien. Ik zwaai uitbundig terug. Wanneer de auto mij voorbijrijdt, stopt hij en gaat het raampje naar beneden. ‘Ik heb hem geholpen met zijn centjes’, zegt de mevrouw achter het stuur. ‘Het was wreed plezant!’

Ah, dat zwaaien was dus niet voor mij.

Nu ben ik jaloers dat ik er niet bij was, daar in die winkel. Ze wilden hem verzekers allemaal opvreten, die vrouwmensen. Ik had zo graag aan iedereen laten weten dat het de mijne is. Ja, zo ben ik wel.

Maar daar is ie al. Ik loop over het zebrapad naar hem toe. Het zakje weegt duidelijk. Hij houdt zijn twee armpjes in de lucht: in het ene handje een briefje, in het andere de munten. Dat ik verschrikkelijk trots op hem ben, zeg ik hem.

‘Ik heb een beetje gefloten onderweg. Gaan we nu eten?’

Een mens moet daar allemaal zoveel kak niet aanhangen, die eerste keer alleen naar de bakker, zegt.

 

 

Advertenties
Dit bericht is gepubliceerd op 24 januari 2016 om 00:17. Het’is opgeslagen in in mijn hoofd en getagd als . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

6 gedachten over “Fluiten onderweg

  1. linskebrood op schreef:

    Oh zo schoon!

  2. HIlde op schreef:

    En dan spat ne mens uiteen van de trots! 😉

  3. jaja, zo, net zo voelt het. Mooi!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: