De intimiteit voorbij

Donderdag 9 augustus 1990. “Wat een dag, zeg. Ik ben vandaag gaan zwemmen met jongens van de voetbal. Maar dat had ik beter niet gedaan. Ze hebben namelijk mijn zwempak uitgedaan. Niet gans maar dan nog. Ze waren met zeven en ze hebben met z’n allen mijn zwempak afgerold tot mijn middel. Er zat al één in mijn broek en de rest… overal.”

Ik ben 11 jaar wanneer ik bovenstaande in mijn dagboek schrijf. Veel concrete herinneringen heb ik niet aan het voorval. Flarden van al die jongens die zich plots op me gooien. Hoe weerloos en beschaamd ik was. Hoe amusant zij het vonden. Hoe nonchalant ze er achteraf over deden. En altijd ben ik me blijven afvragen of geen enkele redder zag wat er aan het gebeuren was.

(fast forward)

Vrijdag 27 februari 2015. De organisatie van de E3 Prijs in Harelbeke trekt haar omstreden affiche in. Onmiddellijk verschijnen er verontwaardigde reacties op Facebook. Vrienden die het hebben over “een van de beste affiches in jaren”, “erg ludiek” en “de bekrompenheid van de mensen die zoiets aanstootgevend vinden”. Ze halen zwaar uit: “Wie dit niet grappig vindt, moet maar ergens anders gaan wonen.” Ik klik op ‘Verwijderen als vriend’. Waarom weet ik niet zo goed. Ik heb een wee gevoel in de maagstreek, ben verdrietig.

Dinsdag 3 maart 2015. Het is halfvijf in de namiddag en ik ben bijna aan de school van mijn zoon. Een andere fietser blijft in mijn wiel hangen. Iedere afslag links of rechts wordt ook genomen. Daar stel ik me op zich weinig vragen bij. Wel is het opmerkelijk dat hij of zij me niet voorbijsteekt. Ik fiets nochtans hemeltergend traag. Eenmaal aangekomen rijdt de andere met me mee de parking op. Ik kijk achter me. Daar staat een man die zegt: “Er zit een beest op je rug. Een spin of zo.” Haastig begin ik mijn jas open te ritsen maar hij houdt me tegen. Hij neemt me bij de bovenarm en draait me een beetje met de rug naar hem toe. “Wacht”, zegt hij en slaat me een keer of twee vrij hard op de poep.

De man grabbelt en graait in mijn billen. Het gebeurt allemaal zo snel. Ik weet niet wat me overkomt.

Ik verstar. Iedere tegenwoordigheid van geest ontsnapt me. Ik wriemel onhandig aan de elastiek van mijn rok om die rond mijn middel te draaien. Alweer houdt de man me tegen. “Nee, nee. Hier.” Dit keer grabbelt en graait hij in mijn billen. Het gebeurt allemaal zo snel. Ik weet niet wat me overkomt. Hij plukt een pluisje van mijn achterste en zegt: “Dit was het.” Ik haast me de schoolpoort binnen. Veilig achter dat hek kijk ik achterom. Wat gaat hij doen? Ik voel me te onpasselijk om dat af te wachten en loop door. Het duurt tot de volgende dag tot ik er voor mezelf aan uit ben: zelfs al dacht hij echt dat er een beest op me zat, dan nog was dat onaanvaardbaar gedrag. Daar moet ik bijna 24 uur over doen, die conclusie. Ik weet niet wat ik erger vind: dat de man inderdaad kinderen zou hebben op de school van mijn zoon. Of dat hij me met voorbedachten rade is gevolgd om me te betasten aan een schoolpoort.

Zaterdag 14 maart 2015. Marc Didden doet in de cultuurbijlage van De Morgen zijn beklag over een doorgedreven vorm van feminisme. In de werelden waarin hij zich bevindt, worden vrouwen “niet met minder egards benaderd dan andere menstypes. Natuurlijk gaat het er daar waar mensen samen zijn, wel eens ruw aan toe. (…) Maar laat mij vriendelijk, doch met klem, beweren dat het niet alleen vrouwen zijn die last hebben van dit soort verachtelijk gedrag.” Dat de “Juffrouwen Truttenbol” van deze wereld niet eens meer kunnen verdragen dat een bronstige bouwvakker hen nafluit, vindt hij ronduit erg.

Zondag 15 maart 2015. Een vriend en ik zitten aan de toog van een bruine kroeg. Er is niet veel volk. Vier potige kerels komen binnen en nemen onmiddellijk het hele café in. Ze zijn luidruchtig en opdringerig. Eerst pakken zij het spelletje tapbiljart over. De mannen die aan het spelen waren, verlaten het café. Vervolgens krijgt het gezelschap een groepje vrouwen in het vizier. Dat ik blij ben daar niet in exclusief vrouwelijk gezelschap te zitten, merk ik tegen mijn vriend op. Het duurt niet lang of ook de vrouwen vertrekken. Mijn vriend en ik zijn nog alleen. Ik voel ogen in mijn rug branden. Ik vraag mijn vriend het allemaal te negeren. Plots prikt iets in mijn derrière.

Ik draai me om. Één van de mannen zit twee barkrukken verderop sardonisch te grinniken. Het was zijn vriend die me, onderuitgezakt in een zeteltje op anderhalve meter, met een biljartkeu in het achterste zat te porren. De man op de barkruk blijft me boosaardig aanstaren. “You know what the problem is?” zeg ik, “What you are doing is really scaring me.” Zijn gezicht vertrekt in een grijns. “Oh, you think that is funny?” Op slag wordt hij grimmig: “So you think I’m a bad person?” Dit is een strijd die ik niet kan winnen. “No, I don’t. I just wanted to let you know what effect this has on me.” De barman schiet ons te hulp. Hij vertelt hen dat de vrouwen van daarnet buiten hun beklag bij hem deden. De man op de barkruk blijft me vragen of ik hem een slecht mens vind. De man in het zeteltje staat op en komt naast me zitten. Hij lacht. “You know, I’m not going to kill you or anything.” Dat ik weg wil, fluister ik mijn vriend toe.

Eenmaal buiten, moet ik het rillen van mijn lijf onderdrukken. Ik ben blij dat mijn vriend zo verstandig was zijn mond te houden. Ik ben trots dat ik voor mezelf ben opgekomen maar vraag me af of ik de mijne ook niet beter had gehouden. Uit bezorgdheid om de barman die we alleen achterlieten, parkeren we de auto aan de overkant van de straat. We blijven daar zitten tot we de mannen zien buitenkomen. Mijn vriend start de auto en sist zichzelf toe: “Sissy.”

Vrouwen hebben niet het alleenrecht op dit soort verachtelijk gedrag. Ze hebben er alleen vaker last van.

Nee, meneer Didden, vrouwen hebben niet het alleenrecht op dit soort verachtelijk gedrag. Ze hebben er alleen vaker last van. Begrijp me niet verkeerd. Fluitende bouwvakkers bijvoorbeeld, categoriseer ik niet onder verachtelijk. Ik durf zelfs toegeven dat ik dat best flatterend vind. Op voorwaarde dat ik erop mag vertrouwen dat het niet meer is dan een compliment. Ik kan er nooit zeker van zijn dat ik er niet door in de problemen kom. Het is die eeuwige angst, dat constant op mijn qui-vive moeten zijn, die de relatie tussen mannen (waar ik overigens dol op ben) en mezelf vertroebelt.

Kan u me vanuit uw ivoren toren even de handgeschreven garantie toezenden dat ik geen schrik moet hebben dat het fluiten zal ontaarden in handtastelijkheden? Of erger nog? En wilt u zich tot zo lang onthouden van het genoegzaam onderhouden van een klimaat dat mijn angst om ’s nachts alleen naar huis te fietsen, ridiculiseert? Als u niet meer in stereotypen denkt, moet ik dat ook niet doen. En dan zullen we het eens hebben over dat wederzijdse respect waar u naar vraagt.

Beeld: Istock

Zo goed als elke vrouw die ik ken, kan één of meer verhalen vertellen gelijkaardig aan het mijne. Post jouw ervaringen hieronder en vertel hoe jij ermee omgaat. 

Advertenties
Dit bericht is gepubliceerd op 19 maart 2015 om 16:40. Het’is opgeslagen in Charlie Mag en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

Een gedachte over “De intimiteit voorbij

  1. Pingback: De M/V achter het trending topic: Inke Hutse – Cathérine Ongenae

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: