Er staat een olifant in de kamer

Tot de vele noemers waaronder ik mezelf mag brengen, heeft ‘hip’ nog nooit behoord. Dat geeft ook niet. Ik heb daar volstrekt lak aan.

Daarom durf ik u zonder schroom zeggen dat ik gisteren ‘You are’ van Dolly Parton bij mijn favorieten op Spotify heb gezet. Geheel onverschrokken voeg ik daar zelfs aan toe dat Dolly met dat nummertje snaren bij me raakt die al eens een traan in gang durven steken. Vooral naar het einde toe, wanneer ze aan die reeks aha’s begint na de drums. Vooral ook op dagen dat ik slaap tekort kom (altijd dus). Omdat ik dan een beetje emotioneler loop en stiekem hoop dat er plots een wit paard voor de deur zal staan. Ik zie het al helemaal voor me: hoe zijn harnas blinkt in de zon en dat ‘You are’ uit het klepje voor zijn mond komt. Ik gooi mijn kuisheidsgordel terstond in de vergeetput.

Al die vormen van ‘are’ ontroeren me omdat ze precies beschrijven wat ik voel voor Zoon. Maar dat is niet genoeg. Ik heb nog zoveel liefde veil, er kan altijd wel iemand bij. Liefst iemand die dan hetzelfde over mij denkt: inspirerend, al wat hij ooit zocht, helemaal goed zoals ik ben. Het probleem zijn die foute mannen. Die heisen zich niet in harnassen. Of het zou moeten zijn om met helmboswuivende zwaai de avondzon in te paraderen. Dat kunnen ze wel, paraderen. Als het op confrontaties aankomt, zijn ze nog sneller pleite dan je ‘You are’ kan zeggen. Seen it, been there, done that.

En toch blijven we daar iedere keer voor gaan. Ik schakel hier plots en niet toevallig over van enkelvoud naar meervoud. Ik ben namelijk niet alleen. Ik heb een therapeute (zei ik daar dat ik een therapeute heb? Ik bedoelde natuurlijk dat ik een therapeute ken) die beweert dat het niet toevallig is dat de meeste van mijn vrienden dezelfde dingen tegenkomen. We zoeken elkaar op. Omdat we herkenbaar zijn voor elkaar. De aha-erlebnis heeft magnetische krachten blijkbaar. Evenzeer zoeken we liaisons op die iets vertrouwd te bieden hebben.

Afhankelijk van wie we zijn, zoeken we liefde waar we moeite voor moeten doen. Of net liefde die we gemakkelijk kunnen overdonderen, waar we dus geen moeite voor moeten doen. Vaak kunnen we afwisselend beide rollen opnemen. In geen enkel geval komen we uit bij een verhouding die evenwichtig te noemen valt. Daarom smaakt verliefdheid al snel bitterzoet. We worden ellendig onrustig en krijgen te kampen met een wee gevoel in de maagstreek. Dus stoppen we er maar weer mee. Hoe ouder we worden of hoe vaker we dat scenario meemaken, des te moeilijker wordt het opnieuw in het zadel te kruipen. Tot we helemaal niks meer ondernemen.

En dit is dan het punt waarop we het even moeten hebben over de olifant die in de kamer staat.

Ikzelf zeg nogal graag en vaak, met een kwinkslag, dat ik op foute mannen val. Waarheidsgetrouwer is het te zeggen dat ik de foute vrouw ben. Althans voor de goedhartige, eerlijke en betrouwbare mannen. Als die denken met mij iets aan te vangen, zijn ze gesjareld. Doorgaans zijn dat geen gevaarlijke mannen. Lange tijd (zowat mijn hele voorbije leven) heb ik daarom ook gedacht dat het saaie mannen zijn. Oeps, en daar hebben we nog een olifant.

Het wordt hoogtijd dat wij eens in de spiegel kijken, wij foute mensen. De enige manier waarop wij minder fout kunnen worden, is door eens goed in de spiegel te kijken en te zien dat wij bang zijn. Niet bang om nooit de liefde te vinden waarnaar we op zoek zijn. Wel bang dat we niet goed genoeg zijn. Bang dat de ander ons vroeg of laat zal zien voor wat we zijn. Dat we dan door de mand zullen vallen. We moeten goed en graag in de spiegel kijken, omdat het ons bevalt wat we zien. We zijn allemaal schone en gevoelige mensen. Dat we ons in vele bochten wringen om de meest ingenieuze zelfbeschermingsmechanismen te bedenken, bewijst ons dat. We moeten onszelf zodanig graag zien, daar in die spiegel, dat we bevrijd worden van de nood die taak in andermans schoenen te schuiven.

Pas dan en enkel dan, wordt liefde een kwestie van overvloed, in plaats van tekort. Pas wanneer we beginnen geloven dat we meer waard zijn, zullen we bij anderen zien wat ze zichzelf aandoen. We zullen erkennen dat het angst is en het niet langer verwarren met kwetsbaarheid of emotionaliteit (of een andere eigenschap die nog als schattig kan beschouwd worden). We zullen eindelijk zien dat angst niet aantrekkelijk is. Pas dan zullen de goedhartige, eerlijke, betrouwbare en ongevaarlijke mensen vanzelfsprekend aantrekkelijk worden. En evenzo, ten slotte, zullen foute mannen onaantrekkelijk worden. Halleluja!

Het kan niet anders. De beste sprookjes zijn toch ook die waarin mannen uit het voetvolk tot ridders worden geslagen en lelijke eendjes zwanen worden?

Advertenties
Dit bericht is gepubliceerd op 1 juni 2014 om 23:40. Het’is opgeslagen in in mijn hoofd en getagd als . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

2 gedachten over “Er staat een olifant in de kamer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: