Nog zo’n brief die je nooit verstuurt #2 (the sad sequel)

Iedere avond laat ik het licht aan in de woonkamer. Ik wil niet dat je zou denken dat ik er niet ben. En ik wil je ook niet missen, mocht de kans bestaan dat je zou komen.

Ik werd niet verliefd. Dat gebeurde niet. Als voorzichtigheid de moeder der wijsheid is, was ik een draconische moeder. Ik had mijn hart in Alcatraz ondergebracht. Toen de barrières dreigden in te storten, omdat ik onverwachts en willens nillens voor jou viel, waarschuwden vrienden me. Eén ervan opperde nog dat ik langs de pechstrook van mijn eigen preek aan het scheuren was. Allen zwaaiden ze met gevarendriehoeken en verbodstekens. Het was te laat. Mijn hart had een kans op ontsnappen gezien. Moedwillig reed het door alle rode lichten. Het pompte adrenaline naar mijn hoofd (of was dat omgekeerd?). Ik werd roekeloos. Halfbeschonken besloot ik dat het een risico was dat ik wilde nemen, een rit met jou. Voor mij geen Lucy Jordan.

Ik was verliefd. Voor het eerst in jaren en voor echt.

Ik zag je nochtans voor al wat je was: een kapotte flipperkast. De meeste lampjes werkten nog wel en je was een meester in het maskeren van de bedradingen die bijna doorgebrand waren. Een onaandachtige kijker kon je makkelijk ver- en misleiden, je verschoningen waren geloofwaardig. Voor mij bleef je een schroothoop, maar een mooie. Je was dat soort van model dat ik zeldzaam vond. En van dezelfde makelij als ikzelf. Ik vermoedde dat je uitzonderlijk kon zijn, zonder al dat roest. De vraag was enkel in welke mate je kon opgelapt worden. En of je het in tussentijd niet zou begeven.

Dus ging ik je aan. Ik stond naast je, bestudeerde je spel. Je hield er niet van, van zo dichtbij bekeken te worden, op de mankementen gewezen te worden. Dat wist ik. Het joeg me helse schrik aan. Maar jij garandeerde me dat je opgelapt wilde worden. Dat ik anders was. Dat je voorzichtig met me zou zijn. En ik wilde een flipperkast die werkte. Het duurde niet lang eer je tilt sloeg.

De dag na dat vreselijke bericht waarin je zei “het niet te kunnen” – je had altijd al gelijk dat dingen als dat geen onderwerp zijn voor chat – heb ik me laveloos gedronken. Een hysterische joyride langs de autosnelweg van mijn verdriet. Ik dreef mijn hart naar een gegarandeerde crash. Die kwam daags nadien. Ik rolde uit bed naar het autotapijt van Zoon in de woonkamer. Ik zette de volumeknop van de stereo op het maximum. Het was een kwestie van seconden voor ik ineenzakte en meeschreeuwde met de muziek. Dat heeft uren geduurd. Soms danste ik, draaide me in foetus op het tapijt, hing op de zetel. Voortdurend huilde ik. Ik bracht de dag door in pyjama en sprak slechts de meest noodzakelijke woorden. Alle afspraken zegde ik af. Er is verdriet dat te rauw en te weerzinwekkend is om gedeeld te kunnen worden.

Mijn hart kan nog steeds moeilijk geloven dat het waar is. Dat het niet waar was. Fantoompijn. Misschien word ik morgen wakker en ben je daar gewoon. Vanavond doe ik dat licht wel alvast uit. Mijn hoofd weet dat je niet komt.

Advertenties
Dit bericht is gepubliceerd op 16 april 2014 om 16:21. Het’is opgeslagen in Brieven, in mijn hoofd en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Volg hier alle reacties met de RSS feed voor dit bericht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: